Volg ons op Facebook

Weidevogelbescherming Randmeerkust gaat met haar tijd mee. Vanaf nu zijn onze activiteiten te volgen op Facebook.

Hoe blijf je op de hoogte? 
Ga naar onze Facebook pagina en klik op de knoppen ‘Vind ik leuk’ en ‘Volgen’. Je mist vanaf dat moment niets meer. Over een paar maanden vinden we alweer het eerste kievitsei. Dat en nog veel meer activiteiten gaan we delen met iedereen die daar belangstelling voor heeft. Je bent dus altijd als eerst op de hoogte via onze Facebook pagina. Daarnaast blijft onze website natuurlijk in de lucht. Hier vind je ook dit jaar weer foto’s en allerlei achtergrond informatie.

Wat staat er op de planning? 
Binnenkort volgt een eerste startbijeenkomst voor dit jaar. 2016 was voor Weidevogelbescherming Randmeerkust een goed jaar. We hebben met alle vrijwilligers weer volop ingezet om de weidevogelstand in onze regio te behouden.

 

 

 

Grutto

De grutto (Limosa limosa) is een weidevogel uit de familie strandlopers en snippen (Scolopacidae) van de orde steltloperachtigen (Charadriiformes). De grutto was in de 20ste eeuw een algemene weidevogel, maar gaat sinds de eeuwwisseling door habitatverlies snel achteruit. In 2015 werd de vogel gekozen als nationale vogel van Nederland.

Kenmerken
De baltsroep van de grutto klinkt met wat fantasie als utto utto utto, dat hij snel achter elkaar roept. Aan deze roep dankt de grutto zijn naam. In de zomer heeft het mannetje van de grutto een oranjebruine kop, nek en borst. Ook de snavel is aan de kopzijde oranje. De flanken en de buik zijn gevlekt. Hij heeft een lange vrijwel rechte snavel. Als de grutto vliegt vallen de witte strepen boven en onder de vleugels op. De grutto is 36–44 cm groot en heeft een spanwijdte van 62–70 cm. Een grutto weegt 280-500 gram. Zijn levensduur bedraagt 10-15 jaar, met uitschieters tot wel 29 jaar. De grutto lijkt op de rosse grutto. Deze heeft meer rood op de buik en een iets opgewipte snavel. Verder bewoont deze vogel een ander habitat. De rosse grutto broedt in arctische gebieden en overwintert bijna uitsluitend in (sub-)tropische kustgebieden en legt daarvoor enorme afstanden af.

Voedsel
De grutto eet regenwormen, insecten en larven van insecten zoals larven van langpootmuggen (emelten). Grutto’s pikken in Nederland soms wel 1200 emelten per dag uit het weiland, tot vreugde van veehouders. In zijn overwinteringsgebied in Afrika (Guinee-Bissau) eet hij rijst op de plaatselijke rijstvelden.

Voortplanting
De grutto broedt in veenweidegebieden en uiterwaarden. Oorspronkelijk broedde de grutto in open moerassen en in hoogveen. Toen Nederland steeds meer in cultuur gebracht werd met weilanden, heeft hij zich aangepast aan de omstandigheden. De broedtijd van de grutto loopt van eind maart tot juni. De broedduur bedraagt 24 à 25 dagen. Een legsel bestaat gewoonlijk uit 4 eieren van gemiddeld 55 x 37 mm. Nesten worden vooral gemaakt op grasland, in een ondiep kuiltje. Als het gras lang genoeg is, buigt hij de halmen over het nest, dat daardoor moeilijk te zien is. Halflang gras biedt ook bescherming voor uitgekomen kuikens; in langer gras blijken ze zich slecht te kunnen voortbewegen.

Populatie in Nederland
De grutto broedt vrijwel alleen in Nederland. Nederland is daarom van groot belang voor de populatie. Rond 1960 broedden er in Nederland jaarlijks ongeveer 120.000 paren van de grutto. In 2015, dat door wetenschappers het “slechtste jaar in de geschiedenis van de grutto” werd genoemd, werd het aantal individuele vogels geschat op minder dan 40.000. De grutto wordt als indicatorsoort beschouwd voor veel milieufactoren. Van 2003-2006 was er onder de naam Nederland Gruttoland een campagne voor het behoud van de grutto. De belangrijkste oorzaak voor de drastische afname van het aantal grutto’s is waarschijnlijk de intensieve landbouw. Monocultuur met enkel gras en weinig bloemen, maar ook te vroeg maaien, ontwatering van de grond en veel bemesten speelt de gruttostand parten. Het leefgebied van de grutto wordt bovendien steeds kleiner door verstedelijking en aanleg van nieuwe wegen.

Rode Lijst
Het kost veel moeite om de gruttostand in Nederland op peil te houden. Omdat een groot deel van de wereldpopulatie in Nederland broedt, heeft deze achteruitgang een direct effect op de wereldpopulatie. Daarom staat de grutto als Gevoelig op de internationale Rode Lijst van de IUCN, en ook als gevoelig op de Nederlandse Rode Lijst. In 2015 lieten wetenschappers weten dat de grutto op uitsterven staat en dringend meer bescherming nodig heeft.

Nationale vogel
De grutto is door Nederlanders gekozen tot Nationale vogel. Dat werd dinsdag 17 november 2015 bekendgemaakt door het programma Vroege Vogels van de VARA en Vogelbescherming Nederland, die een verkiezing hadden uitgeschreven. De merel eindigde op de tweede plaats en de huismus werd derde.

(foto: Bennie v.d. Brink)

Tureluur

De tureluur (Tringa totanus) is een vogel uit de familie van strandlopers en snippen (Scolopacidae) met geslachtsnaam Tringa (ruiters).

Kenmerken
Hij kan 25 tot 30 centimeter groot worden. Belangrijk kenmerk zijn de felrode poten. Andere soorten ruiters zijn: witgat, bosruiter, zwarte ruiter en groenpootruiter. Het verenkleed bestaat uit een donkergrijsbruine bovenzijde met lichte vlekjes, een witte onderzijde en gevlekte flanken. Verder heeft de vogel oranje poten, een oranje snavel met een donkere punt, een lichtbruine hals, borst en kop met donkere strepen. Hij heeft een brede, witte achtervleugel.

Voortplanting
Het legsel bestaat meestal uit vier matte, peervormige eieren, die zeer gevarieerd gekleurd kunnen zijn.

Verspreiding en leefgebied
De tureluur broedt in een groot gebied dat van IJsland naar West- en Midden-Europa en dwars door Midden-Azië tot aan de Grote Oceaan loopt. Hij overwintert in zuidelijke gebieden.
De soort telt zes ondersoorten:
• T. t. robusta: IJsland en de Faeröer-eilanden.
• T. t. totanus: westelijk en noordelijk Europa tot westelijk Siberië.
• T. t. ussuriensis: van zuidelijk Siberië en Mongolië tot oostelijk Azië.
• T. t. terrignotae: zuidelijk Mantsjoerije en oostelijk China.
• T. t. craggi: noordwestelijk China.
• T. t. eurhina: Tadzjikistan, noordelijk India en Tibet.

Voorkomen en status in Nederland en Vlaanderen
In Nederland komen tureluurs het hele jaar voor. Het is een (nog steeds) talrijke broedvogel, verder zijn er grote aantallen doortrekkers en minder grote aantallen overwinteraars. Een van de belangrijkste broedgebieden van Nederland is het Verdronken Land van Saeftinghe waar bijna 10% van de Nederlandse populatie broedt. De Nederlandse broedvogels overwinteren aan de kusten van Portugal, Spanje en Noordwest-Afrika. De tureluurs die in Nederland doortrekken en overwinteren zijn vogels uit Noordwest-Europa. Deze houden zich vooral op in zoute en brakke getijdewateren.

Status
In de periode 1989-1991 werd het aantal broedvogels in Nederland geschat op 30.000 paar. Tussen 2003 en 2007 is er een afnemende trend geconstateerd van 5% per jaar. Door de geleidelijk afname staat de tureluur als ‘gevoelig’ op de Nederlandse rode lijst van bedreigde of kwetsbare vogelsoorten. De tureluur staat op de Vlaamse rode lijst als kwetsbaar. De achteruitgang wordt veroorzaakt door onder meer de grootschalige, gerationaliseerde melkveehouderij. Internationaal loopt de vogel geen gevaar, hij staat als ‘veilig’ (Least Concern) op de IUCN-lijst. In Vlaanderen wordt het aantal broedparen op 300 à 350 geschat.

Broedgedrag
Het broedseizoen van de tureluur loopt van half april tot in juni. Het broeden duurt 22 à 25 dagen. Deze weidevogel legt gewoonlijk vier eieren van gemiddeld 45 × 32 mm, in een kuiltje in het gras, meestal in een weiland. De grashalmen rond het nest worden over het nest gebogen, waardoor het goed verborgen is. Typerend is dat de tureluur vaak op slechts enkele meters afstand broedt van het nest van een kievit. De tureluur profiteert daardoor van de technieken die de kievit heeft om predatoren op afstand te houden.

(foto: Bennie v.d. Brink)

Scholekster

De scholekster (Haematopus ostralegus) is een zwart-witte steltloper.

Kenmerken
Deze vogel heeft een zwart-wit verenkleed, een oranje snavel en oranje poten. Rondom de ogen heeft hij een oranje ring. Het verenkleed is bij beide geslachten gelijk. De lichaamslengte bedraagt 40 tot 45 cm en het gewicht 400 tot 800 gram. Het is een trekvogel.

Leefwijze
Hun voedsel bestaat uit schelpdieren, wormen en krabben. Bij schelpdieren wordt eerst de sluitspier doorgeknipt, voordat de schelp kan dichtslaan, waarna de prooi wordt opgegeten. Na een mislukte poging proberen ze de schelp open te hameren op een harde ondergrond.

Voortplanting
De broedtijd loopt van half april tot in juli. De scholekster legt meestal drie, soms vier eieren in een nest gemaakt in een ondiep kuiltje. De eieren zijn gemiddeld 57 x 40 mm groot. Meestal broedt de scholekster op grasland, maar ook op bouwland worden veel nesten aangetroffen. Ze maken ook nesten op platte, met grind bedekte daken van grotere gebouwen, waar geen gevaar dreigt van grondpredatoren als vos en hermelijn. De eieren komen uit na 25 à 27 dagen broeden. De jongen worden dan nog een poosje gevoed door de ouders, in tegenstelling tot bij de meeste andere weidevogels.

Territoriumgedrag
De scholekster is het onderwerp van een onderzoeksprogramma over het verband tussen territoriumgedrag en broedsucces van de Rijksuniversiteit Groningen. De resultaten laten zien dat scholeksters op twee manieren kunnen proberen om een geschikte broedplaats te veroveren. De beste broedplekken worden namelijk bezet gehouden door alreeds succesvolle paren en scholeksters kunnen tot 30 jaar oud worden (in Nederland werd een exemplaar aangetroffen van 46 jaar). Deze vogels zijn bijzonder gehecht aan hun territorium, zelfs zo zeer dat ze de plek trouw blijven ook als deze door veranderde omstandigheden niet meer zo gunstig is.

Jonge scholeksters (ook wel floaters genoemd) hebben twee mogelijkheden, genoegen nemen met een kwalitatief minder territorium of wachten tot er een goed territorium vrijkomt. Een goed territorium (hokkerterritorium) ligt vlak bij de voedselbronnen op het wad, een slecht territorium (wipperterritorium) ligt daar verder vanaf. Oorspronkelijk ging men ervan uit dat beide strategieën gedurende een scholeksterleven evenveel jongen zouden opleveren: een keuze tussen vroeg beginnen maar jaarlijks minder jongen grootbrengen of later beginnen, maar dan wel een hoog jaarlijks succes hebben. Een hokkerterritorium levert gemiddeld 0,65 jongen per jaar op en een wipperterritorium 0,2 jongen per jaar. Deze veronderstelling bleek echter onjuist: de wippers zijn sukkels die in hun leven minder jongen grootbrengen, hokkers beginnen namelijk niet later in hun leven met broeden.

Het is ook gebleken dat jongen de sociale status van hun ouders meekrijgen. Jongen die door hokkers worden grootgebracht veroveren ook vaak weer een hokkerterritorium, terwijl door wippers grootgebrachte jongen dat zelden doen. Bij het veroveren van een hokkerterritorium is het ook van belang hoe bekend het dier is met de omgeving. In een onderzoek waarbij kunstmatig territoria werden leeggemaakt door de “eigenaars” te verwijderen, bleek dat 80% van de vrijgekomen territoria werden bezet door vogels die bekend waren met het gebied. Floaters maakten zich bekend met het terrein door regelmatig de betreffende territoria binnen te dringen.
De scholekster is bekend vanwege zijn verdediging van het nest. Wanneer een roofdier het nest nadert, doet de ekster zich voor alsof hij kreupel is om de belagers van het nest weg te lokken. Eenmaal op afstand vliegt hij weg.
Jonge scholeksters, die nog niet broeden, verzamelen zich in het voorjaar in groepen. In het binnenland houden ook broedende vogels zich in het begin van het broedseizoen enige tijd op in dergelijke scholekstersozen. Wat precies de functie is van de sozen is niet bekend.

Populatie en verspreiding

Verspreiding van de scholekster

groen: het gehele jaar, geel: zomer, blauw: winter
Er zijn drie ondersoorten van de scholekster beschreven:
• H. o. ostralegus met een verspreiding in Europa en in het westen van Rusland.
• H. o. longipes in het oosten en zuiden van Rusland.
• H. o. osculans in het oosten van Azië.

Een vierde ondersoort, H. o. finschi uit Nieuw-Zeeland, wordt meestal als een aparte soort gezien.
De scholekster komt het hele jaar door voor aan de kusten van de Noordzee en van de Ierse Zee. Broedvogels uit noordelijke gebieden (Scandinavië en IJsland) trekken in de winter naar het zuiden. Veel vogels overwinteren langs de Noordzee en de Britse eilanden. Andere trekken naar Spanje en Afrika. Rond de Middellandse Zee komen kleinere populaties voor.
De scholeksters uit het oosten van Azië migreren in de winter naar het zuiden van China.

Status in Nederland en Vlaanderen
Tot 1985 nam het aantal scholeksters in de Waddenzee toe. Sindsdien is het echter met circa 35% afgenomen. Als oorzaken worden genoemd de vermindering van het voedselaanbod (o.a. door de kokkelvisserij) en minder droogvallende mosselbanken. Om aandacht te krijgen voor de snelle terugloop hebben enkele Nederlandse vogelbeschermingsorganisaties 2008 uitgeroepen tot het Jaar van de scholekster. In Nederland bevinden de grootste aantallen zich in het noorden en westen. Zuid-Limburg en Flevoland huisvesten nauwelijks scholeksters. In België kan men een groot aantal scholeksters zien in de vrije natuur (en in gevangenschap) in het Zwin.

Internationaal
De grootte van de wereldpopulatie werd in 2012 door Wetlands International geschat op 1,00 tot 1,16 miljoen individuen en de Europese popuatie werd in 2015 door BirdLife International geschat op 568 tot 708 duizend volwassen vogels. De aantallen nemen af door een groot aantal factoren waaronder intensieve visserij op schelpdieren en habitatverlies door aantasting en verstoring van de kustgebieden die voor de vogels belangrijk zijn als broedgebied, tussenstation tijdens de trek en overwinteringsgebied. Om deze redenen staat deze soort sinds 2015 als gevoelig op de Rode Lijst van de IUCN.

(foto: Bennie v.d. Brink)

Wulp

De wulp (Numenius arquata) is een vogel uit de familie van de strandlopers en snippen (Scolopacidae). Kenmerken Het is een grote steltloper (50 tot 60 cm lang, 450 tot 1500 gram zwaar) met een 9 tot 15 cm lange, kromme naar beneden gebogen snavel. Het is de grootste steltloper van West-Europa. Het verenkleed is licht van kleur met donkerbruine verticale strepen over het gehele lichaam. In tegenstelling tot de regenwulp (lijkt veel op de wulp) heeft de wulp een vrij egale kop; een donkere oogstreep ontbreekt. In de vlucht is de witte stuit en onderrug goed zichtbaar. Hij is onmiskenbaar, verwarring is alleen mogelijk met de regenwulp die 10 cm kleiner is met een snavel van 6 tot 9 cm. De wulp heeft weinig tekening op de kop, alleen een vage lichte oogstreep. De regenwulp heeft een donkere oogstreep en een kruinstreep. Het geluid van de wulp is zeer kenmerkend en wie het eenmaal kent zal het niet snel vergeten. Het is een mysterieus aanzwellend geluid, dat vooral in de ochtend- en avondstilte bijzonder ver kan dragen.

Leefwijze
Zijn voedsel bestaat uit regenwormen, kreeftachtigen, schelpdieren en andere ongewervelde bodembewoners. Hebben ze een krab gevangen, dan schudden ze net zo lang met de poten, totdat deze afbreken, waarna de romp in zijn geheel wordt doorgeslikt. Door de gevoelige punt van de lange snavel kan de wulp tot dieper in de bodem foerageren dan de andere steltlopers.

Voortplanting
Het vrouwtje legt per seizoen één legsel van 4 eieren, dat door beide ouders wordt bebroed. Tijdens de broedperiode zijn ze erg territoriaal ingesteld en onderling agressief, maar na de broedtijd vormen ze groepen.

Verspreiding en leefgebied
Deze trekvogel is een typische en wijd verspreide palearctische vogelsoort die voorkomt in het boreale en gematigde klimaatgebied. Finland en het Verenigd Koninkrijk herbergen de grootste aantallen, maar ook Nederland is een belangrijk land voor de wulp; ondanks de geringe grootte van het land staat het toch op de vierde plaats op de ranglijst der belangrijkste wulpenlanden.

De soort telt drie ondersoorten:
• N. a. arquata: westelijk, noordelijk en centraal Europa.
• N. a. orientalis: van westelijk en centraal Siberië tot Mantsjoerije]].
• N. a. suschkini: van westelijk Kazachstan tot zuidwestelijk Siberië.

Status in Nederland en Vlaanderen
In Nederland zijn wulpen het hele jaar aan te treffen. De vogel broedt in zowel open agrarisch gebied als in droge, open natuurgebieden. In de jaren 1980 steeg het aantal vogels dat broedde in agrarisch gebied en nam het aantal dat koos voor natuurgebieden af. Het netto resultaat is een zeer geleidelijke afname in het aantal broedvogels.
Vogels die in Nederland broeden, overwinteren zuidelijker, bijvoorbeeld in België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Spanje en Verenigd Koninkrijk. In de winter verblijven er vogels uit Rusland en Scandinavië en mogelijk een klein aantal dat hier ook broedde. In Vlaanderen werd het aantal broedparen 500 à 600 geschat.

Status internationaal
In het broedseizoen zijn ze in heel Europa terug te vinden, met uitzondering op enkele landen in Zuidoost-Europa.
De wulp is een van de weinige vogelsoorten die niet op de Nederlandse Rode Lijst, maar wel op de Rode Lijst van de IUCN staan. Op wereldschaal gaat de vogel achteruit, de grootte van de populatie werd in 2007 geschat op hoogstens 1,06 miljoen individuen. Om deze redenen staat de wulp als gevoelig op de internationale rode lijst.

(foto: Bennie v.d. Brink)

kievit, weidevogels

Kievit

De kievit (Vanellus vanellus) is een weidevogel uit de familie plevieren (Charadriidae). De naam wordt meestal uitgesproken als kieviet. De kievit is een zeer talrijke, tot in China broedende, forse weidevogel van ongeveer 28 tot 31 cm groot en heeft een spanwijdte van 67 tot 76 cm. Het gewicht is tussen de 150 en 300 gram.

De rug is recht en in de zomer donkergroen met een paarse en koperen gloed, wat ook voor de bovenkant van de vleugels geldt tot aan het uiteinde met de witte toppen. In de winter is de rug groener met gelige randen aan de veren. De stuit is wit en heeft een zwarte vlek met een witte rand aan het uiteinde van de staart.

Langs de flanken heeft de kievit een zwarte rand. De onderkant van de brede afgeronde vleugels zijn deels wit. Aan het uiteinde heeft de vleugel een witte rand. Vanaf daar tot een derde van de vleugel zijn de veren zwart gekleurd. De buik is wit met onder de staart een oranje vlek. Ook de bovenkant van de staartdekveren is oranje; bij het nestkrabben is die vlek duidelijk zichtbaar. Van borst tot keel heeft de mannelijke kievit een zwarte band die doorloopt als een zwarte streep onder het oog en over de zwarte korte snavel. De keel is bij het vrouwtje gespikkeld zwart-wit. Op de wang heeft de kievit een witte vlek. De nek is zwart tot grijs. De kievit heeft een hoog voorhoofd en een zwarte kap die overgaat in de voor de kievit zo karakteristieke zwarte kuif. Deze kuif is bij de vrouwtjes korter dan bij de mannetjes. In de winter is de kuif van het mannetje korter dan in de zomer.

Vlucht
Kenmerkend zijn de brede vleugels en de relatief langzame, flappende vlucht. In de paartijd halen mannetjes acrobatische capriolen uit in de lucht. In Friesland heet dat “oer de wjuk gean”, ‘over de wiek gaan’.

Verspreiding en habitat
De kievit is een bekende weidevogel in Europa. Oorspronkelijk broedden kieviten op grassteppen in gematigd Europa en Azië. De mens is deze gebieden steeds meer gaan gebruiken voor het houden van vee en het verbouwen van gewassen. De kievit is één van de weinige soorten die zich goed kon aanpassen aan de veranderde omgeving. Tegenwoordig broedt de kievit in allerlei grote open terreinen langs de kust en in het binnenland, meestal op (maïs)akkers, weilanden en graslanden.

Status in Nederland
Sinds 1990 is er een afname van een paar procent per jaar, zoals blijkt uit onderzoek van o.a. Sovon. In 2000 werden 200.000 tot 300.000 broedparen vastgesteld. Genoemde oorzaken zijn de steeds intensievere landbouw, de lage waterstand, predatie en verstedelijking.

Status Internationaal
Ook op wereldschaal blijkt dat de kievit in aantallen achteruitgaat. Om deze reden staat deze soort sinds 2015 als gevoelig op de Rode Lijst van de IUCN. (International Union for Conservation of Nature, internationale unie voor natuurbescherming)

Gedrag
De kievit komt in het najaar in grote groepen samen om naar het warme zuiden te trekken. Bij gevaar veinst een kievit een gebroken vleugel en probeert zo een naderende wezel, vos of hermelijn weg te lokken bij het nest.

Voedsel
Het hoofdvoedsel van de kievit wordt gevormd door rode regenwormen. Daarnaast eten ze allerlei insecten en ook onrijpe zaden. De beschikbaarheid van wormen bepaalt ook hoeveel vogels zich kunnen vestigen in een bepaald gebied.

Voortplanting
Het broedseizoen van de kievit loopt van half maart tot in juli. Het vroegst bekende eerste landelijke kievitsei werd gevonden op 2 maart 1998 (bij Ermelo); het laatste bijna een maand later, op 31 maart 1969 (bij Garijp). Vogels waarvan het eerste broedsel is mislukt, proberen het daarna nogmaals, soms tot wel viermaal. Een volledig legsel bestaat uit vier eieren van gemiddeld 47 x 34 mm. Het broeden duurt 26 à 28 dagen. Het nest wordt gemaakt in een ondiep kuiltje op een plek met niet te veel gras. Meestal broedt de kievit op grasland, maar ook op bouwland worden kievitsnesten aangetroffen. Maïs is heel geliefd.

(foto: Bennie v.d. Brink)